Muriel Bakker, maart 2026
Van binnenuit, maandelijkse column over wat de buitenwereld van binnen teweegbrengt 

Het laatste speeljaar

Hoe leg je later aan je kinderen uit dat je níet naar ‘Soldaat van Oranje’ bent geweest? Die musical die zestien jaar speelde en een belangrijk stuk nationale geschiedenis verbeeldt. Niet te doen, leek me. Dus gingen we. In het laatste speeljaar. Het jaar waarin het verleden en het heden dichter bij elkaar leken te komen dan ooit. En ‘later’, zo merkte ik, voor het eerst sinds lange tijd geen geruststellend woord meer was.
 

Bij de start van de musical zien we een studentenfeest. Op de sociëteit, 10 mei 1940, oogt het leven zorgeloos: gelach, muziek, halfvolle glazen. Plannen voor later. Het is levendig, licht, bijna vrolijk. Dan het bericht. Duitsland is Nederland binnengevallen. De dreiging was er al een tijd. Toch komt het voor hen ogenschijnlijk plotsklaps. Hun bestaan slaat vanaf dat moment om. Vijf jaar bezetting volgen. Terwijl we vanaf een draaiplateau kijken naar een verhaal dat we al kennen, hoop ik dat we écht naar geschiedenis kijken. 

In de pauze komt het draaiplateau tot stilstand en lopen we naar de foyer. Het geroezemoes zwelt aan. Mensen staan in de rij voor wijn en fris, kinderen klemmen programmaboekjes onder hun arm. Er wordt gelachen, geproost, gefotografeerd, ‘Zo knap gedaan hè, dat met die motoren,’ zegt iemand naast me. We zijn echt een avondje uit. 

 

Na de pauze gaat het spektakel verder. We eindigen met een spetterend slot op een heus vliegveld. Een daverend applaus volgt. Mensen blijven staan, glimlachen breed. Terwijl het applaus langzaam wegsterft, maakt het bij mij plaats voor stilte. Mijn gedachten gaan terug naar dat studentenfeest aan het begin. Hoe onwerkelijk zij die bestaande dreiging beleefd moeten hebben. Die schijnbare onbezorgdheid. Hoe snel ze verdween. Die halflege glazen. Stilletjes lopen we de zaal uit. 

Die stilte neem ik mee naar mijn werk. In dat jaar werk ik tijdelijk bij Defensie, bij de militaire GGZ. Als ik ’s ochtends de kazerne oploop, zie ik militairen trainen: in uniform, geconcentreerd, doelgericht. Geen decor, geen achteraf verhaal, maar voorbereiding. In de wandelgangen gaat het over paraatheid, opschaling en wat er speelt in de wereld. Er hangt een voelbare energie. Ik sta bij gesprekken die versnellen, tussen schouders die rechter gaan staan.  

Ik begrijp die trots. Defensie doet er weer toe, militairen doen er weer toe. En tegelijk voel ik mijn schouders juist zakken, mezelf kleiner worden. Het idee van een grootschalig conflict hoorde voor mij bij een afgesloten tijdperk. Iets waarvoor we herdenken en musicals hebben, niet iets waarvoor je je gereedmaakt. Bij dat eerste voel ik me meer thuis. 

Bij ons thuis valt de folder ‘Bereid je voor op een noodsituatie’ op de mat. Adviezen over waterfilters, blikvoer en een transistorradio. Praktisch, rationeel. Ik leg hem op de stapel papieren die ik later nog eens wil bekijken. Maar hij blijft in mijn hoofd. In mijn verbeelding zit ons gezin aan de keukentafel, turend naar de radio, zoekend naar de frequentie waarop de koning ons toespreekt. Het beeld wekt bij mij een lach op, merk ik. Te absurd om serieus te nemen. En toch koop ik de volgende dag een transistorradio. 

Later hoop ik dat onze kinderen die radio ergens in een kast tegenkomen. En dat ze dan vragen: ‘Mam, waarom heb je dat ding?’ Dan zeg ik: dat kochten we nadat we naar ‘Soldaat van Oranje’ gingen. Die musical, die wij in het laatste speeljaar zagen. Dat jaar, waarin we beseften dat herinneren óók een vorm van paraatheid is. 

Maar ook het jaar, waarin we voor het eerst sinds lange tijd twijfelden of herinneren alléén nog voldoende zou zijn.